Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

De systematiek van het kostenverhaal, in geval er geen overeenkomst over is gesloten, is geregeld in artikel 13.14 tot en met 13.18. In geval slechts voor een deel van de te ontwikkelen locaties kostenverhaalsovereenkomsten zijn afgesloten, die dus niet het gehele kostenverhaalsgebied afdekken, moet het gehele kostenverhaalsgebied worden aangewezen in het omgevingsplan en zijn daarop dus de kostenverhaalsregels van toepassing, voor zover niet reeds overeenkomsten zijn afgesloten.

Een belangrijke wijziging ten opzichte van de consultatieversie van het wetsvoorstel is het onderscheid tussen kostenverhaal bij integrale gebiedsontwikkeling (13.14) en bij organische gebiedsontwikkeling (13.15). Het onderscheidend criterium daarbij is het wel of niet opnemen van een tijdvak bij de vaststelling van regels over kostenverhaal. Zowel voor integrale als voor organische gebiedsontwikkeling moet het omgevingsplan in ieder geval de volgende onderdelen bevatten:

  • Het kostenverhaalsgebied;

  • De werken, werkzaamheden en maatregelen waarvan meer gebieden profijt hebben;

  • Regels over de verdeling van de kosten over de activiteiten;

  • Regels over de afrekening van de kosten.

Bij een omgevingsplan voor integrale gebiedsontwikkeling zal ook een kostenraming per kostenverhaalsgebied moeten worden opgenomen, waarbij ook de inbrengwaarden van alle te ontwikkelen percelen en de kosten die eigenaren op hun eigen perceel maken moeten worden meegenomen. Zoals eerder aangegeven is de macro-aftopping (kostenverhaal niet hoger dan de opbrengsten van de gronden) per kostenverhaalsgebied voor integrale gebiedsontwikkeling nu wel in het wetsvoorstel opgenomen.

Bijzonder aan het systeem voor kostenverhaal bij organische gebiedsontwikkeling (artikel 13.15) is volgens het kabinet de mogelijkheid om met een kostenplafond te werken, met inzicht in het maximumbedrag aan te verhalen kosten Kamerstukken II 2018/19, 35 133, nr. 3, p. 155.. Een nadere detaillering naar grondgebruik, aantallen en hoeveelheden is dan niet vereist. Alleen de kosten die de overheid zelf moet maken bepalen het kostenplafond, niet de kosten die de initiatiefnemers maken. In het Aanvullingsbesluit grondeigendom Omgevingswet wordt dit nader uitgewerkt. Ook een raming van de opbrengsten hoeft niet te worden vastgelegd in het omgevingsplan. Deze opbrengsten zijn bij organische ontwikkeling immers vaak nog niet te duiden vanwege het ontbreken van een (volledig) bouwprogramma voor het kostenverhaalsgebied. Het kabinet verwacht dat door het bieden van inzicht in het te verwachten maximale kostenverhaal initiatiefnemers wel kunnen inschatten of zij hun plannen rendabel kunnen uitvoeren, terwijl het omgevingsplan niet aangepast hoeft te worden als zich een verandering in het bouwprogramma voordoet. Om te voorkomen dat initiatiefnemers uiteindelijk toch meer kosten gaan betalen dan dat zij opbrengsten kunnen genereren wordt bij de beschikking bestuurlijke geldschuld getoetst aan de waardevermeerdering die als gevolg van de activiteit optreedt.

Wat in de Aanvullingswet ‘kostenverhaalsgebied’ heet, is vergelijkbaar met het ‘exploitatiegebied’ onder de Wro. Het kostenverhaal moet nog steeds voldoen aan de criteria profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid (PPT), daaraan heeft de Aanvullingswet niets veranderd.

Artikel 13.17 Aanvullingswet biedt de grondslag voor de raming van de opbrengsten, waarvan de methodiek wordt bepaald in het Aanvullingsbesluit. De opbrengstpotentie is de basis voor de kostenverdeling, niet het profijt dat de initiatieven hebben (13.16). De wijze van kostenverhaal is geregeld in 13.18. Uit het eerste lid kan worden afgeleid dat het de voorkeur heeft om het kostenverhaal privaatrechtelijk te regelen. Lukt dat niet, dan geeft het bevoegd gezag een beschikking waardoor de initiatiefnemer een geldsom vanwege het kostenverhaal is verschuldigd. Op die beschikking is titel 4.4 van de Awb van toepassing. Daardoor is het niet langer nodig om de betalingsverplichting aan een vergunning te koppelen. Er zal immers niet altijd sprake zijn van een vergunningplicht voor de op grond van artikel 13.11 eerste lid aan te wijzen activiteiten. En evenals in het geval van een overeenkomst zal er eerst betaald moeten worden, of aanvullende zekerheden zijn gesteld, voordat met de activiteit mag worden aangevangen (13.12).